Geplaatst op 08 juli 2019

Hoeden en petten en dameskorsetten: hoe Piet Exler de Middelburgse middenstand tilde

Dit is ook leuk zeg! Van Anne Buteijn van de ZB kregen we een mailtje, over het feit dat hij bij een presentatie was geweest, van Hoeden en petten en dameskorsetten, van Frank Bokern. Het boek beschrijft de geschiedenis van de middenstandsfamilie Bokern tussen 1870 en 1945. Het is geen Zeeuws verhaal maar hoofdstuk 15 is dat wel:

Een oudoom van de familie leefde hier in Middelburg in 1921 als een vorst, zonder dat hij daar ooit voor heeft betaald. Zetelend in het pand Langeviele 26 en rijdend in twee T-Fords waarvoor hij nooit een cent heeft betaald, heeft hij bij een meubelzaak, wijnhandelaren, een autoverkoper in Kapelle, maar ook bij slagers, bakkers en zelfs huisartsen en tandartsen alles op krediet gekocht. Het faillissement volgde al snel, de totale schuld bleek enorm, en de Middelburgse middenstand zat met een strop.

We zochten contact met de auteur en kregen een hele vriendelijke mail terug en ook toestemming om de passage over deze oplichter hier op te nemen. Het is echt te mooi om niet te delen. Exler zat in in die periode in het pand aan Langeviel K 206, nu nummer 26. Het grote pand van Mundo Concept dus. Daar schreven we twee jaar terug al eens over. Een foto van 1921 hebben we niet, maar wel van twee jaar later, toen Slagerij Hakker er was gevestigd.

Meer over het boek, dat ook in De Drvkkery ligt, bij ‘De Ondernemer’ en op de website van Frank Bokern.

De mooie Middelburgse passage uit Hoofdstuk 15:

Vijf maanden later vertrekt de veelzijdige ondernemer naar Middelburg, waar hij eind 1920 een nieuw bedrijf zal beginnen: een hypotheekbank. En hij creëert daarbij meteen een mooie functie voor Bernard.

Bij een hypotheekbank hoort natuurlijk een pand van aanzien. Zo’n pand vindt Piet Exler al snel. Hij vestigt zich aan de Langeviele, een van de belangrijkste winkelstraten van de stad. Het mooiste en grootste pand in deze straat is de Langeviele 26. Een monumentale woning, zes ramen breed, drie bouwlagen hoog plus een zolder, met een brede, dubbele deur net links van het midden als entree. Er is zelfs een aparte ingang voor het personeel in het steegje ernaast, zo is op te maken uit de advertentie die de Exlers plaatsen voor een dienstbode: het gezin telt inmiddels vijf kinderen, dus enige hulp is welkom.

De hypotheekbank is dan nog in oprichting, Piet Exler verdient zijn geld als vertegenwoordiger van Van Berkel’s Patent, de Nederlandse fabrikant van weegtoestellen, snijmachines en vleesmolens. In de derde week van maart maakt hij zich met een grote advertentie in de plaatselijke dagbladen bekend als dé vertegenwoordiger van het bedrijf voor Dordrecht, de Zuid-Hollandse eilanden en Zeeland. Hij heeft zichzelf goed verkocht bij het binnenhalen van dit werk.

Van Berkel’s Patent snapt dat een vertegenwoordiger in deze contreien een auto nodig heeft en is bereid die te financieren, maar Piet Exler krijgt het voor elkaar dat de firma twee T-Fords bij hem laat afleveren. Heel Nederland telt in die tijd nog maar zo’n 25.000 auto’s, het bezit van twee automobielen geeft dus behoorlijk wat aanzien. Aanzien dat Piet Exler dankbaar gebruikt. Hij laat het enorme pand aan de Langeviele helemaal inrichten door plaatselijke middenstanders. En alles gaat op krediet. Zo’n wereldwijze ondernemer die in steden als Amsterdam, Brussel en Den Haag successen heeft gevierd, daarmee is ‘risico beslist uitgesloten’, zoals Exler zijn relaties in Domburg al garandeerde. Vooral meubelhandelaar Hendrik van Diffelen gelooft de mooie praatjes van dit voorname heerschap uit Holland.

Hij levert alle meubelen, dekens, tapijten en gordijnen en zet een hele ploeg mensen in voor het aankleden en inrichten van het huis. Dat het een enorm pand is mag blijken uit de schuld die Piet Exler in hoog tempo bij Van Diffelen opbouwt: meer dan 6300 gulden. Dat de twee T-Fords feitelijk eigendom zijn van Van Berkel’s Patent, weet niemand. Dat het chique pand aan de Langeviele maar is gehuurd en bovendien geheel op krediet is ingericht, is maar bij weinig mensen bekend. Maar met de twee auto’s, het statige pand en de luxe inrichting kan Piet Exler zich wel voordoen als geslaagd zakenman. Dit keer vallen de Zeeuwse notabelen en het oud geld in de provincie dan toch voor zijn verhaal.

Als hij op 19 november in de Middelburgsche Courant de oprichting meldt van de N.V. Schelde Hypotheekbank, stelt hij dat het bedrijf beschikt over ‘een geheel geplaatstmaatschappelijk kapitaal’ van 100.000 gulden. Bernard heeft niks ingelegd, dat zou ook niet kunnen: hij zit waarschijnlijk nog steeds zonder baan. Magazijnbediende is hij niet meer, hij probeert op een andere manier aan de kost te komen. Als hij een paar weken na de lancering van de hypotheekbank aangifte doet van zijn eerste kind, blijkt hij opeens handelsreiziger. Waar is onduidelijk, maar er is in ieder geval nog ruimte voor een nevenfunctie. De N.V. Schelde Hypotheekbank moet aan alle wettelijke voorwaarden voldoen en heeft dus een raad van commissarissen nodig.

Piet Exler vindt drie Zeeuwen die toezicht willen houden op de financiële dienstverlener: de heren Melchior uit Vlissingen, Moerman uit Kloetinge en Timmerman uit Middelburg. Eén commissaris haalt hij uit Amsterdam: Bernard. De gewezen magazijnbediende stijgt in één klap enorm op de maatschappelijke ladder: hij wordt opeens commissaris van een hypotheekbank. Het heeft niet zo mogen zijn, helaas. Het duurt, om precies te zijn, maar elf weken voordat de droom uiteenspat.

Het zijn niet eens de belastingen, de banken, de aandeelhouders of ontevreden hypotheeknemers
die het vloerkleed onder Piet Exler wegtrekken, het is meubelhandelaar Van Diffelen. De enorme schuld die de hypotheekverstrekker met zijn chique ameublementen heeft opgebouwd bij de winkel, moet hij in maandelijkse ‘paaiementen’ van 250 gulden afbetalen. Dat doet Piet Exler, maar alleen de eerste vier maanden. Dan stopt hij. Hij moet elke maand ook een fors bedrag betalen aan Van Berkel’s Patent voor de twee T-Fords die hij nodig meende te hebben, en samen is dat wat veel.

De rechtbank benoemt op 10 januari 1921 mr. Philips Reinhard Hugenholtz uit Goes als curator, en die legt in het 39 pagina’s tellende faillissementsdossier feilloos bloot dat de keizer geen kleren aanheeft, of beter: dat deze keizer werkelijk geen draad aan zijn lijf heeft, tenminste niet een draad waar hij voor heeft betaald. Piet Exlers dure bestaan is gebouwd op schulden, en alleen maar schulden. Half Middelburg voegt zich in het faillissement, zelfs de slager en de huisarts blijken nooit te zijn betaald.

Ook Bernard, dankzij zijn zwager toch opeens opgestoten in de vaart der volkeren, ziet nu dat hij is bedrogen en meldt zich als schuldeiser. Hoewel Piet Exler de broer is van zijn echtgenote en bovendien de zoon van de vrouw bij wie hij inwoont, heeft hij er niet lang over hoeven nadenken: na de advocaat van Exler, meubelhandelaar Van Diffelen en de belastingen is hij de eerste die zich meldt met een vordering. Voor de drie maanden dat hij officieel commissaris is geweest had hij 265,65 gulden moeten krijgen als salaris en tegemoetkoming in de reiskosten. Het zou een mooie nevenverdienste zijn geweest, maar Bernard heeft nooit een cent van dat geld gezien. Het is een persoonlijk faillissement.

Wat er met de N.V. Schelde Hypotheekbank is gebeurd, is onduidelijk: het bedrijf lijkt in lucht opgelost, het is bij nader inzien zelfs twijfelachtig of die 100.000 gulden aan ‘geplaatst maatschappelijk kapitaal’ ooit heeft bestaan. Bij elkaar opgeteld heeft Piet Exler in de tien maanden dat hij in Middelburg woont voor bijna 24.000 gulden aan schulden opgebouwd.

Van Berkel’s Patent is de grootste schuldeiser: het bedrijf heeft nog 13.000 gulden van zijn vertegenwoordiger tegoed. Hugenholtz’ jacht op bezittingen die te gelde kunnen worden gemaakt, leest als een whodunit. De curator komt tot de ontdekking dat Exler een van de twee TFords, hoewel eigendom van Van Berkel, heeft verkocht. Niet veel later leert hij dat ook de andere T-Ford is verdwenen: die heeft Piet Exler geruild tegen een motorfiets. Een slimme wisseltruc, want dat motorrijwiel kan hij op eigen naam zetten. De curator beschrijft het met groeiende vertwijfeling, want het gaat maar door.

De complete inboedel die door Van Diffelen op krediet is geleverd, heeft Exler net voor de faillissementsaanvraag verkocht aan Van Berkel en vervolgens weer teruggehuurd, beweert hij opeens, de spullen kunnen dus niet geveild. De Philips Ducanola, een zelfspelende piano met een waarde van maar liefst 1000 gulden, blijkt een bruikleen. De vele machines van Van Berkel die Exler in zijn bezit heeft, zijn slechts in consignatie, dus ook die leveren niks op. De nog bijna nieuwe motorfiets, van het dan bekende en zeer geprezen Britse merk James, is opeens verdwenen. De curator weet zich opvallend goed te beheersen: ‘Ik zal deze handelwijze niet qualificeeren.’ Maar hij rust niet voordat de motor veilig in zijn kantoor is gestald.

Jammer is dat Van Berkel vervolgens het eigendom van de James claimt. Eigenlijk levert alleen
de wijnkelder een aangename verrassing op: de wijnen die de curator hier aantreft zijn van hoge kwaliteit: ze zouden nu gemiddeld ruim 30 euro per fles doen. Niemand vordert ze terug, dus worden de 95 flessen ingebracht in de boedelveiling. Uiteindelijk leveren de bij elkaar geschraapte bezittingen na aftrek van de kosten slechts 2809,71 gulden op. Het gros daarvan gaat naar de preferente schuldeisers. Van Diffelen zal niet blij zijn geweest: hij krijgt maar een derde terug van het bedrag dat hij bij Piet Exler had uitstaan. Voor de overige schuldeisers blijft welgeteld 26,63 gulden over. Ze krijgen welgeteld 0,126 procent van hun vordering toegekend. Bernard, die zich een paar maanden lang een belangrijk man heeft mogen voelen als commissaris van de N.V. Schelde Hypotheekbank, krijgt dus ook maar 0,126 procent van de 265,65 gulden die hij heeft gevorderd. Het is niet waarschijnlijk dat de champagne zal hebben geknald aan de Amsterdamse Overtoom: na afwikkeling van het faillissement krijgt Bernard een cheque toegestuurd ter waarde van 33 cent.

Het was voor Bernard eventjes verleidelijk om te geloven dat het leven ook voor hem groots en meeslepend kon zijn. Dat blijkt toch niet weggelegd voor een man die domweg gelukkig was als magazijnbediende en zich vijf jaar lang goed voelde bij de routine en de discipline van het leger. De droom is voorbij, het grote geld ligt voor hem toch net iets te ver achter de horizon. Bernard wordt een degelijke huisvader die tot zijn grote vreugde weer aan de slag mag bij Peek & Cloppenburg. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Uiteindelijk zal ook hij een eigen winkel beginnen.


Delen op