array(7) {
  [0]=>
  int(51616)
  [1]=>
  int(51617)
  [2]=>
  int(51618)
  [3]=>
  int(51619)
  [4]=>
  int(51620)
  [5]=>
  int(51621)
  [6]=>
  int(51622)
}

Uit De Wete: Stalhouder Jan Koppejan, sleper in Middelburg (3)

Wat tof! De redactie van het tijdschrift De Wete, van Heemkundige Kring Walcheren, is begonnen met het versturen van persberichten rondom het verschijnen van nieuwe nummers. Redacteur Bert Gerestein liet ons weten dat dit niet wordt gedaan om nieuwe leden te werven (hoewel die natuurlijk altijd welkom zijn), maar “omdat De Wete voor de andere media op Walcheren nu en dan best een bron(netje) van inspiratie mag zijn.”

We zijn het er roerend mee eens. De Wete ís al een bron van inspiratie. In het archief van het tijdschrift zijn veel mooie lokale en regionale verhalen te vinden, heel veel. We wilden dat graag illustreren met een recente bijdrage, en kregen daar van zowel De Wete als van auteur A.R. Koppejan toestemming voor. Het gaat om het artikel ‘Stalhouder’, het derde deel van een reeks artikelen over Jan Koppejan, sleper in Middelburg. Het eerste deel uit 2018, ‘Bloem en IJs’, is al terug te vinden in de Tijdschriftenbank Zeeland. In dit derde deel gaat het over de laatste periode, waarin onder meer de paardentrams een grote rol spelen. Ook de foto’s uit de collectie Koppejan (waarvan er aantal werden gemaakt door Jo Marinissen) mogen we hier delen. Super! We danken De Wete en Adrie Koppejan hartelijk.

Stalhouder

Jan Koppejan, sleper in Middelburg (3)

Van vracht- naar personenvervoer
Rond 1960 moest mijn vader, door concurrentie gedwongen, afstand doen van paard-en-wagen; sindsdien reed hij met vrachtauto’s, tot 1972. Hij had indertijd voor zijn paarden een iets meer dan twee hectare groot weiland gepacht van voormalig sleper Jan Vinke. Na 1960 gebruikte hij het weiland voornamelijk voor zijn melkkoeien, wat slachtvee en vaak een paar paarden voor de handel. Toen de weduwe van Jan Vinke – Antje Cornelia Vader – in 1975 overleed kon mijn vader het weiland aankopen en dat deed hij grif. Hij heeft mij vaak verteld dat hij al wat geld achter de hand had gehouden om die weie ooit nog eens te kunnen kopen. Toen hij ophield met de vrachtwagens was het dus maar een kleine stap om weer over te gaan op paarden, maar dan niet meer voor vrachtvervoer maar voor personenvervoer.

Haarlemse brik
Mijn vader had rond 1970 een rijtuigje gekocht, puur uit liefhebberij. Na een fikse opknapbeurt konden we ermee voor de dag komen, met ons eerste koetsje, een Haarlemse brik. Met dit soort koetsjes, die getrokken werden door één paard, gingen de Walcherse boeren in vroeger tijd naar de kerk. Het spreekt voor zich dat deze koetsjes altijd zwart van kleur waren. Henk van Eenennaam uit Nieuw- en Sint Joosland wist mij er meer van te vertellen. “In 1969 had ik dit koetsje zelf gekocht. Het stond toen als een soort schuil-schafthokje op het land van boer Janse en ik vond dat het behouden moest worden. Het was nogal verwaarloosd en aan één kant was het geheel verrot, maar de wielen waren nog intact. Ik wilde het zelf opknappen, maar daar is helaas niets van terechtgekomen. Het stond gestald onder een afdak bij een boer in de Scheeweg en later stalde ik het in mijn eigen schuur. Op een verjaardag ontmoette ik je vader en die zag er wel wat in. Ik verkocht het aan hem voor honderd gulden.”

Al spoedig werd mijn vader gevraagd voor een ritje met dit koetsje, bij de opening op 29 september 1973 van het nieuwe dorpshuis in Nieuw- en Sint Joosland. En daarna werd hij af en toe ook gevraagd om het als trouwkoetsje ter beschikking te stellen. Zo is het idee geboren een stalhouderij te beginnen. In historisch perspectief gezien was de opening van het dorpshuis de eerste rit van de op handen zijnde stalhouderij. Later zouden er nog honderden ritten volgen.

Meerdere koetsen
Ik weet nog goed dat mijn vader in 1974 op een dag thuiskwam met twee koetsen: een trouwcoupé en een landauer. Die had hij voor vijfduizend gulden gekocht bij Stalhouderij Joosen in Breda. Jarenlang hebben we met die koetsen gereden. We hebben ze in die tijd wel een keer opnieuw geschilderd, van binnen opnieuw bekleed en de houten wielen voorzien van nieuwe stalen velgen waarin een rubberprofiel geklopt werd.

De velgen maakte mijn vader op lengte, hij laste ze aan elkaar en stookte ze roodgloeiend. Dat deden we in het najaar of in de winter achter in de tuin, of op de weie. Als de profielen heet genoeg waren legden we ze om de houten wielen. Vrijwel alle emmers die we hadden stonden dan al gereed met water uit de regenbak om het hete metaal weer af te koelen. Ik heb vaak geholpen met het op die manier aanbrengen van nieuwe velgen.

Het bleef echter niet bij die twee nieuwe koetsen. In totaal heeft vader er nog vier bijgekocht, die wij allemaal zelf restaureerden. Het sprak voor zich dat het hele gezin zijn steentje bijdroeg aan het werk. Onze moeder had daarin belangrijke taken: ze nam meestal de telefoon op voor het maken van de afspraken, ze maakte de rijtuigen schoon en ze stond ook nog altijd voor iedereen klaar met koffie. Het was in huize Koppejan altijd een drukte van belang.

Veel werk
Het ‘stalhouderijwerk’ begon allemaal kleinschalig. We hadden een zekere aanlooptijd nodig om naamsbekendheid te krijgen. Halverwege de jaren zeventig bouwden we een janplezier, bedoeld voor stadsrondritten. Toch is die voor die ritten weinig gebruikt omdat hij te klein bleek. Kort daarop kon mijn vader de voormalige paardentram van Ko Labrujère kopen die in Goes was terechtgekomen bij de stalhouderij van Ko de Bel. Een paar aanpassingen, opnieuw schilderen en daar gingen we! Het onderstel was van Duitse oorsprong, achtergelaten door de bezetter. Met die tram kregen we het pas echt druk en we hadden meer paarden nodig. En om al die wagens te bergen moesten we een loodsje bouwen. Gedurende die stalhoudersjaren hadden we zes paarden. Als er meer nodig waren werden die geleend, altijd met een koetsier die dan met zijn eigen paard(en) kon rijden.

Over het algemeen begon het seizoen van de trouwpartijen in mei en duurde het tot augustus/september. We deden er jaarlijks ongeveer twintig, met uitschieters naar hooguit 25. We reden meestal op Walcheren, maar soms tot in Zuid-Beveland. Op een keer moesten we voor een trouwpartij in uitgesproken winterse omstandigheden met een paardentram en een koets naar Geersdijk rijden. Het was ijzig koud. Heen ging nog wel, maar tegen de avond in het donker terug was een ander verhaal.

Uit veiligheidsoverwegingen reed ik met de auto met de knipperlichten aan achter de twee wagens. De koetsiers kwamen af en toe even opwarmen in de auto en daar een bakkie doen. Voor ons en voor de paarden een lange dag. De meeste vraag was er altijd naar de paardentrams. We gebruikten die veelvuldig voor stadsrondritten, schoolreisjes, verjaardagspartijtjes en dagtochten over Walcheren met een lunch in restaurant ’t Groentje in Domburg. Daar werden de paarden uitgespannen en kregen ze te eten en te drinken. Wij koetsiers kregen een borreltje en lunchten daar ook, bij uitbater Willem Wallach, een fantastische vent, ondanks zijn Haagse tongval.

Voor de verpleeginrichting Vijvervreugd in Middelburg hebben we ook veel gereden, zeker nadat we twee trams hadden aangepast voor rolstoelen en bedden. Dat deden we door de banken aan weerszijden neerklapbaar te maken met scharnieren. Hele bedden, met patiënten en al, schoven we er zo in. In de sinterklaastijd reden we nogal eens met Sint en Piet naar scholen of buurtverenigingen en met kerst reden we met de kerstman over de winkelpromenades. Vrijwel ieder jaar weer, zowel in Middelburg als in Vlissingen.
Op den duur werkten we ook weer mee aan de sinterklaasintocht, meestal met één of twee wagens. Ik zeg weer, omdat in de jaren vijftig en begin jaren zestig stalhouder Ko Labrujère deze intocht met koetsen verzorgde en mijn vader dan ook vaak moest komen opdraven met twee paarden om met een koets van Ko te rijden. Ik ben als klein ventje ook wel eens mee geweest. De laatste sinterklaasintocht deden wij in 1999.

Koetsiers
De koetsiers van het eerste uur waren nog echte ouderwetse paardenmannetjes. Er moeten er zeker wel twintig zijn geweest die regelmatig voor ons reden. Twee markante figuren wil ik eruit lichten, Piet van Houte en Leen Volkers.

Piet van Houte was een boerenzoon, afkomstig uit Rilland. Hij werd zelf geen boer maar heeft altijd gewerkt bij Van Gend & Loos in Middelburg. Piet was altijd erg enthousiast en kwam zelfs vrijwel dagelijks bij ons aan huis. Hij had een volkstuin aan de spoorlijn rechts van het station. Met een bandenwagentje brachten we er eens een ‘rondgaand ploegje’ naartoe, omdat Piet zo graag zijn eigen lapje grond wilde ploegen.

Leen Volkers was afkomstig uit Veere en had al in de vroege jaren vijftig een paar jaar bij mijn vader met de paarden gereden. Toen Leen bij ons op de koetsen kwam te rijden – in de jaren zeventig – woonde hij, dicht bij ons, aan het Oud Arnemuidsvoetpad. Leen had in de jaren dertig ook als koetsier gereden bij stalhouderij Wielemaker in Klein Vlaanderen. Hij vertelde ons – jonge jongens nog – veel verhalen uit die tijd. Bijvoorbeeld hoe hij langs het kanaal over het jaagpad nog met paarden zeilschepen had voortgetrokken. Jagen heet dat in vaktermen. Volgens Leen waren dat altijd “rotpaarden” die nergens voor deugden en alleen maar een scheepje konden voorttrekken. Achteraf denk ik dat ik Leen toen meer had moeten uithoren en die verhalen had moeten opschrijven.

De paardentrams
Op het laatst hadden we drie paardentrams, allemaal zelf gebouwd en afgetimmerd. Wat heb ik daar veel kilometers mee gemaakt. Toeristen rondrijden in de stad was het makkelijkst en dat deed ik ook het liefst: even inspannen en met tien minuten stond je op de Markt. Het rijden in de stad deden we altijd zelf, dat besteedden we nooit aan iemand anders uit.

Eind 1980 kwam ik te varen bij North Sea Ferries en dat betekende twee weken varen en twee weken thuis. In die twee weken thuis had ik dus volop de tijd om te rijden. Als we dan in de stad begonnen, startte mijn vader rond halfelf en nam ik het om ongeveer halftwee over, of andersom. “Wij werken in deeltijd”, zeiden we dan gekscherend tegen de toeristen. Naast de rondritten in Middelburg reden we ook met een koets in Veere. Ik heb dat zelf nog gedaan tot we daar een vaste koetsier voor hadden. Dat was Jan Jakobsen – de grootvader van Paskal Jakobsen, de zanger van Bløf – en die heeft dat nog jaren voor ons gedaan. Het bracht niet veel op, maar het was toch mooi meegenomen.

Op een zaterdagmiddag ben ik zelf nog eens met een paardentram naar Vlissingen geweest om daar met kinderen van een kleuterschooltje te rijden. Ze hadden het ritje zelf met dubbeltjes en kwartjes bij elkaar gespaard. Aan het einde van de rit kreeg ik een Vim-bus vol met dat kleingeld… Ik heb het niet nageteld. “Zal wel kloppen hoor”, zei ik tegen de kleuterleidster.

Het eerder vermelde Vijvervreugd was dus een heel goede klant van ons. Jaarlijks organiseerden zij een feestmiddag en dan reden wij er rond met de paardentram. Meneer Gouweloos was er dan ook met zijn straatorgel De Sater. Voor de diverse paviljoens werden we ook vaak gevraagd om een middagje te vullen. Sommige mensen dachten dat we 24 uur per dag beschikbaar waren. Het is zelfs gebeurd dat er ’s avonds laat nog werd aangebeld om koetsen voor een bruiloft te bestellen. En er werd ook een keer op een zaterdag pas tegen vier uur ’s middags gebeld of we even in Vlissingen een familie konden komen ophalen die in Middelburg bij een café moest worden afgezet. Ik was toevallig alleen thuis en ging dus maar weer naar de weie om paarden te halen, in te spannen en naar Vlissingen te gaan. Daar ging mijn vrije zaterdagavond…

Een koninklijke rit
Vanwege de officiële opening van het gerestaureerde en als jeugdherberg ingerichte kasteel Westhove in Domburg vervoerde mijn vader mr. Pieter van Vollenhoven. Die was destijds voorzitter van de Nederlandse Jeugdherbergen Centrale. Pieter landde op vrijdag 16 mei 1986 op een sportveld in Domburg en mijn vader moest erheen om hem naar Westhove te brengen. Daags tevoren kwam de Veiligheidsdienst langs om de paardentram te controleren op… Nou ja, vul maar in. Helaas hebben we hier geen foto’s van.

De wintervoorraad
Elk jaar werd de schuur vol gereden met hooi, meestal van ons eigen weiland. Meestal, want de hoeveelheid en daarmee het succes van zo’n oogst was nogal afhankelijk van het weer. Op een keer moesten we de hele oogst in brand steken omdat die totaal verregend was. In het najaar van 1976 hadden we echt helemaal niks, vanwege de extreem droge zomer. Toen moest er duur hooi ingekocht worden. Een lapje met mangels (een soort voederbiet) hadden we meestal ook, en zo niet dan werden ze gekocht. Mijn vader wilde ze altijd graag van het soort ‘groenkraag’. En altijd hadden we mais, die werd meestal op het weiland gevoerd.

Jan Koppejan als hoefsmid
Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft mijn vader in de Teerpakhuizenstraat in de smederij van Ko de Bruijn gewerkt. Daar heeft hij paarden leren beslaan. Hij is in die tijd ook naar de ambachtsschool aan de Zuidsingel gegaan, op een avondcursus voor hoefsmid. Toen er op een gegeven moment door de bezetter een avondklok werd ingesteld heeft hij die opleiding niet kunnen afmaken. Maar hij bezat al voldoende kennis en vaardigheden om ook later zelf z’n paarden te beslaan, hetgeen enorm veel geld bespaarde. In de drukke zomerse perioden besloeg hij er elke week wel een paar.

Bart de Graaff
Het is echt waar: ooit werden we door omroep Veronica benaderd om te rijden voor hun kinderprogramma B.O.O.S. Ze zouden bij ons met Bart de Graaff aan huis komen. We hadden tegen niemand iets gezegd want dan zou het misschien wel eens veel te druk worden in ’t Bijltje. Maar de naaste buren waren niet thuis, dus is dit alles onopgemerkt gebleven. Wel herinner ik me nog goed dat Bart met zijn camerateam een paar uur te laat was. En Bart bleek ook nog doodsbang voor paarden!

Afbouwen
Na 1995 liep het werk terug. Mijn vader werd ouder en de koetsiers op wie we nog een beroep konden doen raakten ook op leeftijd. We hadden al die tijd zes paarden, maar rond 1999 waren het er nog maar twee, Camiel en Casper, en in 2000 bleef Camiel alleen over. Casper was een heel lieve maar erg zenuwachtige ruin. Die wilde er altijd vandoor. Toch kon ik er goed mee rijden. Maar hoe zenuwachtig dat beestje ook was, hij was wel erg verkeersmak. We stonden er zelfs mee op de Markt tijdens de kermis. Maar de spoorweg over was altijd een ramp; we hadden het vermoeden dat hij ooit een keer over de gladde rails uitgegleden was, en zoiets blijft een paard altijd bij.

We deden nog wat kleiner werk zoals de jaarlijkse sinterklaasintochten in Vlissingen, Middelburg en Arnemuiden en af en toe nog eens een trouwpartij. De rondritten door de stad met de paardentram hebben we tot het seizoen van 2000 volgehouden. Van lieverlee werd de ene na de andere koets verkocht en het aantal paarden nam dus ook af. Kees Provoost uit Domburg kwam toen vaker om ons te helpen.

Kees Provoost (1938) was een van de laatste koetsiers en ik heb hem geïnterviewd. Hij wist zich te herinneren dat hij in 1979 voor het eerst gevraagd werd om mee te doen met een trouwpartij. Na 1996 kwam hij steeds vaker met zijn paarden omdat mijn vader aan het afbouwen was. Eén zeer lange trouwdag stond Kees ook nog bij, omstreeks 2000: “Om half acht ’s ochtends reden we naar hotel Britannia in Vlissingen om het bruidspaar op te halen. Ze trouwden om halfelf in Middelburg. Daarna reden we weer terug naar Britannia waar ze iets gingen eten. ’s Middags was het overtrouwen in een kerk in Souburg en daarna weer terug naar Britannia, en toen weer terug naar Middelburg.”

Kees herinnerde zich nog een bijzondere tocht: “In het vakantiegebouw van het CNV in Oostkapelle werden kinderen ondergebracht uit Tsjernobyl, slachtoffertjes van de kernramp. Met twee paardentrams hebben we toen belangeloos rondritten gemaakt.”
Kees vertelde mij dat als we voor de sinterklaasintocht in Vlissingen werden gevraagd, hij daar vrijwel altijd bij was. Ook bij schoolreisjes naar de kinderboerderij in Middelburg en bij trouwpartijen, dan reed hij vaak met een volgkoets of met een paardentram.

De allerlaatste rit
Eind 2000 is mijn vader, op 75-jarige leeftijd, officieel gestopt met zijn bedrijf. Zijn allerlaatste rit was op 13 juli 2001, de trouwpartij van Christiaan Provoost, zoon van Kees. Die trouwde in Domburg en de receptie en het trouwfeest werden gehouden op Ipenoord.
Kees: “Het was een mooi rijtje. Ik reed met de trouwcoupé met zoon Arjan als palfrenier, Cor Peute reed met een volgkoets en je vader met een paardentram.”

Camiel
Het laatste paard dat we hadden was dus Camiel. Mijn vader gebruikte hem nog een beetje als speelpaardje. Omdat we de twee hectare weiland aan Rijkswaterstaat hadden moeten verkopen vanwege de aanleg van de nieuwe N57, moesten we voor Camiel iets anders bedenken, Bij een boer onder Veere had ik een plekje voor hem geregeld. Toch is het niet zover gekomen. In 2007 bleek hij een plaveiselcelcarcinoom te hebben, een soort kanker aan zijn koker. We hebben hem nog laten opereren, maar het mocht niet baten, de aandoening zat al te diep. We moesten hem laten inslapen. Die N57 met een aquaduct onder het kanaal is er dus gekomen en is met de huidige zomerse drukte niet meer weg te denken. Vanuit Serooskerke ligt de afslag Middelburg precies over ons voormalige weiland.

A.R. Koppejan

Fotografie: Jo Marinissen/Collectie fam. Koppejan:

Middelburg, ’t Bijltje 1973. Het pas gerestaureerde Haarlemse brikje. Links Martin Koppejan, de zoon van een dienstmaat uit Indië, en Rijkjan Koppejan. (Coll. fam. Koppejan)

Middelburg, ca. 1975. De paardentram van Ko Labrujère bij de Koepoort, verkocht aan Ko de Bel en later door Jan Koppejan aangekocht. (Coll. fam. Koppejan)

Middelburg, jaren zeventig. Poseren in de Abdij. Van links naar rechts: de trouwcoupé, de landauer, de vigilante, de Haarlemse brik en de janplezier. (Coll. fam. Koppejan, Middelburg)

Middelburg, november 1999. De laatste sinterklaasintocht waar we aan meededen. (Coll. fam. Koppejan, Middelburg)

Middelburg, ca. 1995. Paardentram op de Markt tegenover café De Vriendschap. (Coll. fam. Koppejan).

Bart de Graaff met zijn camerateam in ’t Bijltje, Middelburg. Bart staat achteraan bij mijn moeder, ca. 1995. (Coll. fam. Koppejan)

In de Veersen oek, 11 juni 2005. Jan Koppejan rijdt hier voor het laatst met zijn bandenwagen. (Coll. fam. Koppejan)

Volgende verhalen

Afbeelding #002 voor het verhaal Werkzaamheden gas- en waterleidingen Langeviele weer opgepakt
Werkzaamheden gas- en waterleidingen Langeviele weer opgepakt

De werkzaamheden aan de gas- en waterleidingen van de Langeviele worden weer opgepakt vanaf deze week. De Voogd Grijpskerke is vandaag begonnen met de voorbereidingen op de Langevielebinnenbrug. Hoe het […]

10 jan 2022
Afbeelding #001 voor het verhaal Lieve Hemel Middelburg stopt in maart
Lieve Hemel Middelburg stopt in maart

Het is voor de liefhebbers misschien geen nieuws meer, maar wij hadden het hier nog niet gemeld: Lieve Hemel, de winkel in antiek, curiosa en vintage spullen, van Annelien Tange, […]

11 jan 2022
Afbeelding #000 voor het verhaal Lange Delft 28 nog steeds te huur, maar Kado Bar nog niet weg
Lange Delft 28 te huur, maar Kado Bar nog niet weg

We vergissen ons soms, in de vragen die leven bij kleine veranderingen in de stad. Maandag schreven we bijna terloops over de container voor de deur bij Holland & Barrett, […]

12 jan 2022